In Memoriam eredoctor Jeroen Brouwers

Op woensdagmiddag 11 mei overleed, in een ziekenhuis in Maastricht, schrijver en essayist Jeroen Brouwers op tweeëntachtigjarige leeftijd. In 2018 werd aan Brouwers een eredoctoraat uitgereikt aan de letterenfaculteit van de Radboud Universiteit.

Brouwers Jeroen- foto Annaleen Louwes

Brouwers wordt alom beschouwd als een van de belangrijkste Nederlandstalige auteurs (zijn werk is overigens ook veel vertaald). Hij was een veelgeprezen én veelgelezen schrijver die in zijn romans een virtuoze stijl paarde aan het behandelen van belangrijke maatschappelijke thema’s, zoals kamptrauma’s (Bezonken Rood, 1981) en het misbruik in de katholieke kerk (Het hout, 2014). Als polemist was Brouwers bewonderd maar ook gevreesd: hij legde zichzelf hoge standaarden op als het aankwam op literatuur, maar hij verwachtte van anderen ook een dergelijk niveau en instelling, en hij was genadeloos als hij, superieur geformuleerd en tot in de puntjes gedocumenteerd, zijn tegenstanders fileerde, zoals auteurs als Guus Luijters of Dirk Ayelt Kooiman (‘een per fietspomp tot paradijsvogel opgeblazen mus’), zijn voormalig uitgever Dietz of minister Ronald Plasterk (‘baasje van cultuur, oppermanitoe van de Taalunie’).

Maar Brouwers was ook een zorgvuldig en nauwgezet literatuurhistoricus, die kritisch, liefdevol en vakkundig schreef over auteurs als Godfried Bomans en Hélène Swarth. Zijn magnum opus op dit gebied is de studie De laatste Deur (in 1983 verschenen en in 2017 fors uitgebreid en geactualiseerd tot twee delen), dat Nederlandstalige auteurs en hun zelfmoord behandelt. Wat zette hen aan tot hun daad? Waren er indicaties in hun teksten? Welke invloed hadden maatschappelijke en particuliere omstandigheden? De laatste deur, dat vaak Brouwers’ ‘dissertatie’ is genoemd, is een gedegen, grondig onderbouwd, wetenschappelijk werk dat niettemin voor een groot publiek een belangrijk letterkundig thema presenteert, onderzoekt en analyseert.

Een van Brouwers’ meest bekende maximes luidt: ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt’. Die uitspraak tekende zijn kijk op het menselijk leven – zijn eigen leven voorop -, maar geldt ook de opbouw van elk van zijn afzonderlijke werken, én van zijn oeuvre in zijn geheel. Een boek als zijn monumentale zelfmoordstudie kan niet los gezien worden van zijn romanwereld: alles vormt één groot spiegelend, verwijzend en intern op talloze manieren verbonden geheel, fictie en non-fictie.

Het meest markante aan Brouwers’ romans was misschien wel de wijze waarop hij zijn persoonlijke leven bovenpersoonlijk weet te maken. In een tijdsgewricht als het onze, dat literair haast ten onder gaat aan de kleine verhalen over verdriet onder familie en naaste vrienden en andere privé-trauma’s, slaagde Brouwers er steevast in om met de thema’s uit zijn persoonlijke geschiedenis boven al het kleine en individuele uit te stijgen.

Met de dood van Brouwers verliest de Nederlandse letterkunde een van haar belangrijkste auteurs; gelukkig is er zijn veelzijdige, rijke oeuvre dat zijn nagedachtenis levend zal houden.

Jeroen Brouwers kon in oktober 2018 zelf niet aanwezig zijn bij de Dies Natalis van de Radboud Universiteit om zijn eredoctoraat in ontvangst te nemen. Daarom werd het hem thuis uitgereikt door (toenmalige) decaan van de letterenfaculteit Margot van Mulken. Brouwers sprak bij die gelegenheid een dankwoord uit dat tijdens de Diesviering getoond werd:

Foto Jeroen Brouwers: Annaleen Louwes